Biografie Little Richard

Richard Wayne Penniman, Little Richard, is het derde van de twaalf kinderen uit het gezin van Charlie “Bud” Penniman Sr (10 April 1912-12 Januari 1952) en Leva Mae Stewart. Een religieus gezin waar zingen een belangrijk onderdeel van het dagelijks leven was, de familie trad op in lokale kerken en nam deel aan zangwedstrijden als The Penniman Singers. Little Richard had in die dagen vanwege zijn schorre en schreeuwende zangstem al gauw de roepnaam “War Hawk”. Op 10-jarige leeftijd was Richard gebedsgenezer, die gospels zong en door handoplegging mensen beter deed voelen. Althans dat verklaarden deze nogal goedgelovige en over het algemeen ongeletterde mensen die zijn “behandeling” hadden ondergaan.
Geinspireerd door Brother Joe May, een zingende evangelist en bekend als “The Thunderbolt of the West”, besloot Richard om dominee te worden. Hij woonde in een zwarte woonwijk van Macon en kon door de in die dagen nog zeer sterk aanwezige rassenscheiding niet of nauwelijks in aanraking komen met blanken en zich laten zien in de blanke woonwijken. Op de middelbare school speelde hij alt-saxofoon in de schoolband, de school kon hem maar matig boeien en Richard begon op te treden in verschillende door het land reizende shows.

De dramatische frasering en snelle vocale afwisselingen ontleende Little Richard van de zwarte gospelzangers en -zangeressen uit de jaren ’30 en ’40 van de vorige eeuw. Zijn jeugdidool was Sister Rosetta Tharpe die hem in 1945, nadat hij in haar voorprogramma was opgetreden, uitnodigde samen met haar een lied te zingen op het podium van The Macon City Auditorium. Little Richard was eveneens beinvloed door Marion Williams (handelsmerk whooo), Mahalia Jackson en Brother Joe May. Voor zijn, voor die tijd, opmerkelijke verschijning inzake kleding, haar, schoenen en make-up liet hij zich inspireren door de gospel / blues zanger Billy Wright. Deze Billy Wright zorgde ervoor dat Little Richard via Zenas Sears in 1951 zijn eerste platencontract kreeg.

Sister Rosetta Tharpe – Billy Wright – Mahalia Jackson

In Oktober 1951 begon Little Richard jump-blues platen op te nemen voor RCA Camden, tijdens één van deze opname-sessies op 12 Januari 1952 werd zijn vader vermoord. Het contract met RCA werd niet verlengd en Richard verhuisde in Oktober 1953 naar Peacock Records waar hij tot begin 1955 onder contract zou staan. Gedurende deze beginjaren werden er verschillende platen uitgebracht, geen van allen brachten enig succes.

Niet tevreden over zijn carriere als solo artiest vormde Little Richard in de loop van 1954 een nieuwe rythm & blues tourband “The Upsetters”, bestaande uit Charles “Chuck” Connors (drums), Wilbert “Lee Diamond” Smith (saxofoon) en een niet nader met naam genoemde tweede saxofonist. De band werd in 1955 uitgebreidt met Grady Gaines (bandleider), Clifford “Gene” Burks (saxofoon), Olsie “Baysee” Robinson (bas) en Nathaniel “Buster” Douglas (gitaar).
Op advies van Lloyd Price namen Little Richard en de band op 9 februari 1955 een demo op voor het Gospel/R & B label Specialty Records. De eigenaar van Specialty Records, Art Rupe, leende Little Richard het benodigde geld om zijn contract met Peacock Records af te kopen, contracteerde hem en bracht hem onder de hoede van Robert “Bumps” Blackwell.

Rupe en Blackwell zagen in Little Richard een geduchte rivaal voor Ray Charles die op dat moment grote successen boekte bij Atlantic Records met zijn blues met een beat omgevormde gospelsongs, een succes die zij ook voor Little Richard verwachten.
Little Richard echter was meer gecharmeerd van het Fats Domino geluid dus werdt er opnametijd geboekt bij de J & M Recording Studio in New Orleans waar ook Domino opnam en werden er, in plaats van The Upsetters, studio-muzikanten ingehuurd die met Domino hadden gewerkt.

Ray Charles – Fats Domino – Little Richard

De opnamen verliepen stroef en niet naar tevredenheid van Blackwell, ze namen een pauze waarin Little Richard zichzelf op de piano begeleidend een in een dreunende boogie woogie ritme met zijn schreeuwende zangstem het zelf geschreven “Tutti Frutti” zzong, een song die hij al jaren op het podium speelde. Blackwell was onder de indruk van de song en besloot, na aanpassingen in de oorspronkelijke controversionele tekst, de song op te nemen. In Oktober 1955 werd de song uitgebracht en het bleek een schot in de roos te zijn, in een korte tijd stond het nummer één in de hitlijsten van Bilboard. In de volgende drie jaar nam Little Richard zestien hit-singels op, waarvan er maar liefst zeven op nummer één belanden.

Little Richard trad gedurende 1957 en 1957 op in alle grote sportstadions en concert-arena’s door geheel Verenigde Staten voor een uitzinnig zwart en blank publiek, er waren beruchte feesten compleet met drank, drugs en orgieën, geen uitspatting was gek genoeg. De tijd van de echte rock’n’roll was aangebroken.

Begin Oktober 1957 kwam de ommekeer, op de vijfde dag van een twaalf dagen durende tournee door Australia zag Richard Penniman na een aantal voor hem religieuze ervaring, zoals dat heet, het licht. Hij nam meteen een vliegtuig terug naar de Verenigde Staten, het nieuws van zijn bekering was inmiddels wereldwijd bekend geworden en had de muziekwereld geschokt achtergelaten. Little Richard deed nog één opnamesessie voor Specialty Records op 18 Oktober 1957 en deed een afscheidsconcert in het befaamde Appollo Theater in New York, kocht voor zijn moeder een huis in Californië, richtte het Little Richard Evangelisch Team op en ging op reis door geheel de Verenigde Staten zijn geloof prediken.

Nu dominee Little Richard bleef gedurende de periode 1957 – 1962 plaatopnamen maken voor platenmaarschappijen als End, Mercury en Atlantic, ditmaal geen rauwe rock’n’roll maar, geheel in gedachte zijn nieuwe status, gospelsongs.
In November 1957 ontmoette hij Ernestine Campbell, waarmee hij op 11 Juli 1959 in het huwelijk trad. In 1958 begon Penniman een drie-jarige opleiding aan de Seventh Day Adventist Oakwood College te Huntsville, Alabama die zou leiden tot zijn inwijding als geestelijk raadsman. De rock’n’roll dagen waren voorbij.

In de volgende 14 jaar van zijn leven ontwikkelde Little Richard een haat-liefde verhouding met de muziek en bijbehorende leefstijl die hem zoveel succes had gebracht. Het bleek voor hem moeilijk te zijn te leven volgens de regels en discipline van zijn geloof. Hoewel hij gospelsongs bleef opnemen en daarmee drie hits had, “He’s Not Just A Soldier” (1961), He Got What He Wanted” (1962) en Crying In The Chapel” (1963), kon hij geen weerstand bieden aan de rock’n’roll-lokroep en begon weer op te treden en op te nemen. Hij toerde door Engeland en Wales in Oktober-November 1963 met Bo Didley, The Everly Brothers en de nog onbekende Rolling Stones. Maakte voor het Engelse Granada Television een TV-show The Little Richard Spectacular met Sounds Incorparate als begeleidingsband en The Shireless als achtergrondzangeressen. De show werd in Mei 1964 en was een daverend succes. In Maart en April 1964 keerde Little Richard terug naar de opnamestudio’s van Specialty Records en voor het opnemen van weer een aantal rock’n’roll songs.
Gedurende de volgende jaren bleef Little Richard optreden, ging op tournee in de Vereningde Staten, Europa, Mexico en Canada. Trad op in films en nam meerder albums op. Zijn loopbaan als geestelijke leek voorbij te zijn, wilde feesten, drugs- en alcoholverslaving werden zijn deel.’

Het werd 1977, Penniman kwam op het kruispunt van zijn leven te staan, twee van zijn beste vrienden overleden in korte tijd achter elkaar en hij overleefde ternauwernood een moordpoging van een van zijn drugsvrienden, Larry Williams.
Penniman zweerde zijn grillige en onberekenbare manier van leven af en keerde terug in de moederschoot van de kerk. Opnieuw verkondigde hij zijn geloof, hij werd een verklaard tegenstander van het duivelse rock’n’roll muziek waarvan hij zei It is not possible to perform rock’n’roll and serve God at the same time.
Tot 1984 volharde Richard Penniman in deze levensstijl, na het overlijden van zijn moeder en de publicatie van zijn door Charles White geschreven biografie The Life and Times of Little Richard probeerde Penniman zijn geloof te laten samensmelten met zijn muziek. Met zijn oude vriend Billy Preston schreef hij de song Great Gosh A’Mighty (It’s A Matter of Time) voor de film Down and Out in Beverly Hills. De song met zijn religieuze tekst klonk als pure rock’n’roll en werd een grote hit. Little Richard noemde zijn nieuwe stijl “message-music”.

De druk om zijn eerdere rock’n’roll materiaal opnieuw ten gehore te brengen werd erg groot en het was dan ook niet verwonderlijk dat Little Richard tijdens een AIDS-benefit concert in Maart 1989 zijn klassieker Lucille voor het eerst sinds dertien jaar weer zong. Dit concert was voor hem de terugkeer naar de muziek die hij had afgezworen, zijn toenmalige wilde stijl van leven liet hij voor wat het was. Sinds die bewogen dag in 1989 bleef Little Richard, ondanks zijn inmiddels hoge leeftijd, tot op heden optredens verzorgen in verschillende TV-shows, films, maakte nieuwe plaatopnamen en toerde met o.a.Jerry Lee Lewis en Chuck Berry door de Vereningde Staten en Europa.