Biografie Fats Domino

Antoine Dominique Domino (Fats) leerde als kleine jongen piano spelen van zijn twintig jaar oudere zwager Harrison Verret, lessen waarbij Dominique ook besloot om te gaan zingen. In die tijd werd er in New Orleans Frans en Creools gesproken, talen die Dominique vanzelfsprekend ook sprak. Dominique trad voor het eerst in het openbaar op toen hij 10 jaar was. Op zijn veertiende ging hij van school en werkte overdag in een fabriek, zodat hij ’s avonds kon optreden in de lokale nachtclubs.
Hij bleef in de jaren 40 bezig met muziek en werd ontdekt door Dave Bartholomew, die zijn schrijvende zou partner zou worden van veel van Fats’ latere hits. Fats kwam bij de Dave Bartholomew Band in het midden van de jaren 40’s. Hij werd onder anderen beïnvloed door Albert Ammons, Meade Lux Lewis en Fats Waller.
De imposante carriere van Fats Domino begon in 1949, in dat jaar tekende hij een contract met Imperial Records en bij zijn eerste opname sessie zorgde hij ervoor dat hij de traditionele “Hey La Bas” opnam. “La Bas” was oorspronkelijk een geluks-voodoo-god, werd gelijkgesteld met de heilige St.Peter in het Frans-Katholieke Louisiana en werd ten slotte “La Bas”.

Hey La Bas Boogie

Deze opname gaf het samensmelten weer van New Orleans’ culturele geschiedenis en de muzikale plaats daarin. Het was echter niet zijn eerste plaat die werd uitgebracht. Een bestaand nummer over verdovende middelen, “The Fat Man”, werd een beetje herschreven voor zijn eerste commerciële release. De plaat (Imperial Records 5085) met “The Fat Man” op de B-kant en “Detroit City Blues” als A-kant trok nationale aandacht en was een van de eerste rock-‘n-rollplaten met een “rollende” piano. Het verkocht meer dan een miljoen exemplaren en wordt algemeen beschouwd als de eerste rock and roll plaat die dat behaalde. Vanaf dat moment was Dominque Fats en The Fat Man werd eveneens zijn bijnaam.

Detroit City Blues – The Fat Man

Een ander nummer dat succesvol was voor Fats, “Every Night About This Time” (Imperial records 5099), liet zien hoe zijn muziek werd beïnvloed door die van Little Willie Littlefield. Fats had een andere R & B hit met “Goin’ Home” in 1952.

Goin’ Home

In 1955 sloeg Fats Domino in als een bom in de rock-‘n-roll scene toen zijn nummer, “Ain’t That A Shame” werd opgenomen door blanke artiest Pat Boone. Boone’s versie kwam op nummer één van de hitlijsten en Domino’s versie op Imperial Records 5348 kwam op nummer tien. Het nummer bezorgde de uitvoerende artiesten het instant sterrendom. Fats is ook te horen op de achtergrond van opnames van artiesten als Joe Turner en Lloyd Price. Hij bleef nummers met Dave Bartholomew schrijven, vele daarvan werden wereldwijde hits. In 1956 had hij vijf nummers, waaronder “I’m In Love Again” en Fats uitvoering van Glenn Miller’s “BlueBerry Hill” uit 1940, in de top veertig. Het werd Domino’s meest succesvolle plaat van zijn gehele carriere. Tussen 1956 en 1959 scoorde hij veel hits waaronder “When My Dreamboat Comes Home”, “I’m Walkin”, “Valley of Tears”, “It’s You I Love”, “Whole Lotta Loving”, “I Want to Walk You Home” en “Be My Guest”. Fats Domino werd zeer populair, met fans over de gehele wereld.

Ain’t That A Shame – I’m In Love Again – Blueberry Hill

When My Dreamboat Comes True – I’m Walkin’ – Valley Of Tears

Whole Lotta Loving – I Want To Walk You Home – Be My Guest

Op 2 november 1956 brak er tijdens de show van Fats Domino in Fayetteville, NC, een rel uit en moest de politie traangas gebruiken om de onstuimige menigte tot bedaren te dwingen. Domino sprong uit een raam om het strijdgewoel te ontvluchten, hij en twee andere bandleden raakten lichtgewond. Domino bleef tot begin 1962 een constante reeks van hits produceren voor Imperial Records, met inbegrip van “Walkin’ To New Orleans” (1960), mede-geschreven door Bobby Charles, en “My Girl Josephine” uit hetzelfde jaar. Nadat Imperial Records begin 1963 werd verkocht aan externe investeerders, verliet Domino het label. “Ik bleef bij hen tot ze werden verkocht “, vertelde Fats in 1979. In totaal heeft Domino meer dan 60 singles voor het label opgenomen, met 40 nummers in de top 10 op de R & B hitlijsten en scoorde 11 top 10 singles in de hitlijsten. Tweeëntwintig van Imperial singles van Domino’s waren dubbelzijdige hits.
De nummers werden in die jaren allen opgenomen in de studio van Cossimo Matassa in New Orleans en uitgebracht op het Imperial Records Label.
Na zijn Imperial periode tekende Domino in 1963 een contract bij ABC-Paramount Records. Het label besloot dat de opnamen van Fats plaats zouden vinden in Nashville onder leiding van producer Felton Jarvis ( die ook van 1969-1977 Elvis Presley produceerde) en arrangeur Bill Justis. De jarenlange samenwerking met producer/arranguer/co-schrijver Dave Bartholomew, die toezicht hield op vrijwel alle van zijn Imperial-opnamen was schijnbaar ten einde.
Jarvis en Justis veranderden het Domino-geluid een beetje, met name door het toevoegen van een achtergrondkoor in countrypolitan-stijl op de meeste van zijn nieuwe opnames. Wellicht ten gevolge van het sleutelen aan eerder gehanteerde formule werd Domino’s hitpotentie drastisch ingeperkt. Hij nam 11 singles voor ABC-Paramount Records op, maar had maar één top 40-vermelding “Red Sails In The Sunset”(1963). Tegen het einde van 1964 kwam de Britse invasie en was de smaak van het plaatkopende publiek veranderd en Domino’s commercieel succes was voorbij.

Walkin’ To New Orleans – My Girl Josephine – Red sails In The Sunset

Ondanks dit gebrek aan succes, bleef Domino gestaag nummers opnemen tot ongeveer 1970, verliet in 1965 het ABC-Paramount Label en nam op voor verschillende kleine platenlabels waaronder Mercury, Reprise en Dave Bartholomew’s label Broadmoor. Zijn laatste single in de Top 100 hitlijsten was een cover van The Beatles “Lady Madonna” in 1968. Fats Domino bleef gedurende meerdere decennia een populaire live-act.

Lady Madonna

In de jaren 1980 besloot Domino dat hij New Orleans niet meer zou verlaten, hij had een afkeer ontwikkeld voor het touren en het eten die on the road werd genuttigd, Fats ging met pensioen met comfortabele inkomsten uit royalty’s. Zijn opnemen in The Rock and Roll Hall of Fame en een uitnodiging om op te treden op het Witte Huis konden hem niet verleiden om op zij besluit terug te komen.
Fats Domino werd door Dianna Chenevert, agent, oprichter en eigenaar van New Orleans’ agentschap Omni Attractions overgehaald om periodiek buiten de stad op te treden gedurende de jaren 1980 en vroege jaren 1990. De meeste van deze optredens waren in en rond New Orleans, maar ook in Texas, Dallas, West End Market Place gaf Fats Domino op 24 oktober 1986 een concert.

Domino woonde voor orkaan Katrina in een herenhuis in een overwegend volkse wijk Lower Ninth Ward, waar hij een vertrouwd gezicht was in zijn roze Cadillac. Hij treed jaarlijks op tijdens het New Orleans Jazz and Heritage Festival en andere lokale evenementen. Domino werd bekroond met de Grammy Lifetime Achievement Award in 1987. In 1998, kreeg hij van President Clinton de National Medal of Arts. Het blad Rolling Stone rangschikte hem als nummer 25 op hun lijst van de “100 Greatest Artists of All Time”.

Nadat in 2005 de orkaan Katrina over zijn geboorteplaats was getrokken, werd Fats Domino korte tijd vermist, totdat zijn dochter Karen Domino White hem herkende op foto’s van geëvacueerden. Door deze natuurramp mist hij sindsdien wel 12 van zijn 22 gouden platen, maar hij is erg gelukkig met het feit dat hij nog wel de foto nog heeft waar hij samen met Elvis Presley op staat afgebeeld.
Zijn laatste optreden vond plaats op 19 mei 2006 bij Tipitinas, de bekende jazz- en bluesclub in New Orleans. Dit optreden is opgenomen op de recent verschenen documentaire “Walking Back to New Orleans”.
Op 26 Februari 2012 vierde Fats zijn 84ste verjaardag, het is verdrietig om te moeten melden dat deze gigant van de rock and roll-geschiedenis sinds een paar jaar lijdt aan de ziekte Alzheimer.

bronnen: Fats Domino and The Lost Dawn of Rock’N’Roll door Rick Coleman

discografie
media